Vendeliers

Vendelier
Het vendelen bestaat in het gildewezen al vanaf de 13e/14e eeuw. Dat ons gilde vroeger ook gevendeld heeft is zeker, maar hier is weinig van bekend. Pas in 1964 kreeg het gilde weer nieuwe vendels en gingen de vendeliers aan het oefenen. Het vendel is bevestigd aan een houten stok van ongeveer 260 cm lengte met onderaan een koperen knop met een doorsnede van 8 cm. Het vendel zelf is uitgevoerd in de gildekleuren groen en rood en met een Andreaskruis. De grootte is ongeveer 180 x 180 cm. Het totale gewicht is ± 5,5 kg.

Het vendelen is geen vrije oefening, maar de symbolische uitbeelding van de strijd van Sint Joris tegen de draak. Bij het brengen van een vendelgroet geeft de Hoofdman de volgende commando’s:

Vendeliers, geef acht

Vendeliers, presenteer uw vendel

Vendeliers, neig uw vendel

Vendeliers, zwaai uw vendel voor God, Koning(in) en Vaderland

Vervolgens start de vendelgroet. De vendelslagen hebben allemaal een betekenis. Ze beelden de strijd uit van Sint Joris tegen de draak en vertellen wat er precies gebeurt op welk moment in de strijd. Elke slag wordt twee maal linksom en twee maal rechtsom uitgevoerd.

De strijd aanbinden:

1. Opening, zwaaien boven het hoofd: houd je sterk in de komende strijd, groet God en vraag om sterkte.

2. Rond de buik zwaaien: geef je werk, je lijf, je kracht, of desnoods je leven.

3. Om de beide benen: houd je lenig opdat je steeds kunt knielen.

4. Om één been: houd de vlag rein als symbool van de zuiverheid.

De strijd van goed en kwaad begint:

5. Achter de rug en weer terug: van alle kanten dreigt gevaar.

6. Achter de rug en tussen de benen terug: de vijand tracht mij op de knieën te krijgen.

7. Boven het hoofd: ik wil de patroonheilige verheerlijken.

8. Door de nek: hij is hoog verheven, daarom wil ik doen wat ik kan. Ik zie op naar de hemel.

9. Onder de kin: Heer, ik wil u verheerlijken.

10. Over de schouder draaien: de vijand komt, ik moet me verweren.

11. Met gekruiste armen overgooien: nooit zal ik wijken, hoe het ook zal gaan.

12. Overstappen: de vijand probeert mij de vlag af te nemen. Ik verweer mij tot het uiterste.

13. Zijuitval twee maal over het hoofd: de vijand drukt mij diep te neer.

14. Overspringen en doordraaien: de vijand sloeg mij de vlag bijna uit de handen, maar ik kon ze nog grijpen.

15. Het vendel oprollen: de strijd is gestreden, de zege is onder ons.